Dat het anders kan, laat de methode Taal in beeld zien. In de basislessen staan de strategieën en vaardigheden om woordbetekenissen te kunnen afleiden en onthouden centraal. Hierbij worden de doelwoorden wel geraakt, maar niet diepgaand onderwezen. Bij de toetsing in het begin van de vierde week van een blok, wordt op individueel niveau nagegaan welke doelwoorden nog niet beheerst worden. Tijdens de rest van de vierde week is er in het kader van de herhalingstaken een ruime mate van aandacht voor het aanleren van de doelwoorden die nog niet goed ‘zitten’. Dit gebeurt echter alleen met de kinderen waarbij vastgesteld is dat ze de woorden nog niet kennen. De andere kinderen gaan verder met plustaken.
De herhalingstaken op het gebied van woordenschat kunnen zowel op papier als met de computer uitgevoerd worden. Het leerspel Woordkenner is de papieren weg en het computerprogramma Woordenschat Taal in beeld vormt het elektronische gedeelte. Beide zijn erop gericht om doelwoorden aan te leren.Een risico bij het wachten met het gericht aanleren van de doelwoorden tot na de toets, is dat er uiteindelijk teveel woorden in een korte tijd moeten worden aangeboden. Daarom is het goed om ook voor de toets al gerichte activiteiten te ondernemen met kinderen die een zwakke woordenschat hebben. Dit kan door de software of het leerspel al op een eerder moment in te zetten. Bijvoorbeeld in de vorm van preteaching of direct in het verlengde van de basislessen.
Jos Cöp
Geen opmerkingen:
Een reactie posten